Boekje

Deze week stond mijn telefoon roodgloeiend, voor zover moderne telefoons dat nog kunnen. Op mijn drie e-mailadressen kreeg ik meer mail dan normaal. De reden? Ik verzond deze week mijn proefschriften. Best gek hoor. Je werkt steeds in loze uurtjes aan dat boekbestand, denkt steeds dat je bijna klaar bent (zie vorige column), geeft de drukker dan je finale oké en een paar dagen later worden er ineens honderd boekjes bezorgd. En dan ziet iedereen ineens – in het écht! – waar jij op je laptopje steeds aan hebt gewerkt. Dat dankwoord dat je vierduizend keer hebt herlezen en herschreven, die spelfout die je helaas niet op tijd opmerkte.

Het gros van mijn boekjes verstuurde ik aan mensen van buiten academia, of buiten Nederland. Nu is dat hele idee van een gedrukt proefschrift best wel Nederlands, dus moest ik aan de anderlanders uitleggen wat het eigenlijk inhield. En mensen van buiten academia hebben al helemaal geen idee wat ze in handen hebben. Het probleem met zo’n boekje is dat het gewoon voor de show is. (Net als de verdediging, maar daarover later meer.) Het is het fysieke resultaat van het werk dat je de jaren hiervoor hebt verzet: een bundeling van je publicaties, in mijn veld in ieder geval. Niemand léést het echt, alleen de corona. Maar dat zijn maar twee handjesvol mensen, daar hoef je geen honderd boekjes voor te drukken.

Om die reden heb ik bij de meeste mensen een leeswijzer in het boekje geplakt: één plakkertje bij het dankwoord (als ze daar in stonden, tenminste) en één bij de Nederlandse samenvatting (als ze Nederlands konden, tenminste). Bij sommigen heb ik een briefje toegevoegd, met dat ze echt niet hoeven te lezen, dat het gewoon voor de leuk is.

Ik kreeg er dus veel reacties op, vooral op de kaft. Mooi, want die kaft vond ik belangrijk: ik wilde in één oogopslag duidelijk maken waar mijn proefschrift over gaat. Dat deed ik door een bekend spreekwoord om te buigen. (Dat was misschien wel het beste resultaat van mijn week in mijnAntwerpse schrijfhuisje). Maar ik wilde het ook persoonlijk maken, door bijvoorbeeld de illustratie van een kleuter op mijn nichtje te baseren en mijn bril op de achterkant te zetten. Ook kreeg ik te horen dat mijn Nederlandse samenvatting ten minste begrijpelijk was, een groot compliment.

De meeste reacties kreeg ik op mijn dankwoord. Nice, want dat was mijn doel. Het dankwoord is het enige deel van het proefschrift dat íedereen leest. En, oja, het is de plek waar je de mensen kunt bedanken die iets voor jou en je proefschrift hebben betekend. Dat deed ik dus ook. Zelf lees ik dankwoorden alleen als ik alléén ben, vanwege tranen in ogen en dat soort zaken. Dat was dus ook mijn doel, mensen laten grienen. En dat doel is gehaald, als ik mijn telefoon en e-mail mag geloven.

Meer nog dan de inhoudelijke content (waar ik minder content mee ben), stemt dat me gelukkig: dat begrépen wordt wat ik heb gedaan, door de kaft en de samenvatting, en wie daar direct en indirect aan hebben bijgedragen, door het dankwoord. En waarom beide belangrijk zijn.

 

[Column verscheen eerder op Voxweb.com]

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *